
De geschiedenis van de Burcht begint rond het jaar 1000. Bij de samenvloeing van twee zijarmen van de rivier de Rijn werd een "motte" opgeworpen; een aarden verhoging die diende als vluchtplaats in tijden van gevaar. De toegang tot de motte werd belemmerd door een ter oosten er van gegraven gracht, waardoor het gehele gebied door water was omringd. Een mogelijke verklaring voor het bouwen van deze verdediging vormen de toen veelvuldige invallen door de Noormannen, daar zou echter al spoedig een eind aan komen (in 1006-1007). Meer waarschijnlijk is dan ook dat de heuvel vooral dienst deed als een plaats waar mensen en hun vee een droge plek vonden bij een van de overstromingen die in de jaren 800-1200 regelmatig voorkwamen.
In de loop van de volgende jaren zal de heuvel nog tenminste driemaal worden opgehoogd, totdat er halverwege de elfde eeuw een houten versterking op zal worden geplaatst. Een versterking, die in opdracht van Dirk IV of zijn opvolger Floris I, werd gebouwd om dienst te doen in de toen woedende strijd om de macht met de Duitse Keizer en de bisschop van Utrecht.
In het jaar 1083 werd Alewijn van Leiden als eerste benoemd tot burggraaf, een vazal die de belangen van de landsheer veilig moest stellen. Er zullen nog velen volgen, wat niet betekende dat de verstandhouding tussen de burggraaf en de burgers van Leiden als goed moet worden beschouwt. Integendeel, regelmatig waren er conflicten over het uitoefenen van de rechten die aan het burggraafschap waren verbonden.