Schuilkerken in Leiden


Het ontstaan van de schuilkerken.

Hoewel de Gouden Eeuw de geschiedenis is ingegaan als een tolerante tijd, was er van echte verdraagzaamheid van de kant van de calvinisten tegenover andere gezindten weinig sprake. Er heerste weliswaar "gewetensvrijheid", maar godsdienstvrijheid was alleen weggelegd voor de Gereformeerde kerk. Verder konden alleen buitenlanders en als buitenlanders beschouwde personen, zoals de Joden, hun godsdienst vrij uitoefenen. Nederlanders werden geacht over te gaan tot de Gereformeerde kerk.

museum Ons' Lieve Heer op Solder is een voormalige schuilkerk, gelegen aan de Oudezijds Voorburgwal in de Binnenstad van Amsterdam. Nadat tijdens de Reformatie de calvinisten in grote delen van Nederland aan de macht waren gekomen en alle kerken hadden geconfisqueerd, moesten katholieken en aanhangers van andere verboden religies hun toevlucht nemen tot verborgen en illegale kerkjes in bestaande gebouwen. In eerste instantie werd hier door de autoriteiten hard tegen opgetreden. In de loop van de 17e eeuw ging de overheid echter een steeds pragmatischer houding innemen; inmiddels was duidelijk geworden dat een groot deel van de bevolking nooit tot de Gereformeerde kerk zou toetreden, en veel overheidsdienaars waren zelf slechts naar de officiële kerk overgegaan om hun baan en maatschappelijke positie te kunnen behouden.

Het gebruik van schuilkerken werd dan ook steeds meer toegestaan. In eerste instantie werden ze oogluikend gedoogd, later kon tegen jaarlijkse betaling van enorme sommen geld, de zogenaamde recognitiegelden, een officiële vergunning verkregen worden. Voorwaarden voor de verlening van zo'n vergunning waren dat een schuilkerk van buiten op geen enkele manier als kerk herkenbaar mocht zijn en dat het gebruik ervan niet als storend mocht worden ervaren door de calvinisten. Kerkgangers moesten het gebouw binnengaan door een deur die niet aan de openbare weg mocht liggen, en dan nog slechts met hoogstens twee personen tegelijk. Klokgelui was verboden en gezang mocht buiten niet hoorbaar zijn. Op het platteland werden bovendien vaak als extra voorwaarden gesteld dat de kerk zich buiten het dorp moest bevinden en alleen een rieten dak mocht hebben als teken van ondergeschiktheid aan de Gereformeerde kerk.

Een schuilkerk samen met de vaste groep gelovigen werd een statie genoemd. Een statie onderscheidde zich van een parochie door het ontbreken van een afgebakend territorium. Schuilkerken werden gevestigd in elk beschikbaar pand, vooral in de armere buurten, en konden zich op korte afstand van elkaar bevinden, terwijl in andere delen van een stad er soms helemaal geen kerk voorhanden was.
Ten aanzien van protestanten werd het beleid versoepeld in de loop van de 17e eeuw, waarna deze vaak ook echte kerken konden bouwen zolang die maar geen toren hadden. Doopsgezinde kerken, zogenaamde vermaningen, bleven echter vaak een schuilkerkachtig uiterlijk houden. Nadat de Republiek in de jaren 1672-1674 door katholieke buitenlandse mogendheden bijna van de kaart was geveegd, realiseerde de overheid zich dat de loyaliteit van het grote katholieke deel van de bevolking van groot belang was en werd het hen vaker toegestaan geheel nieuwe kerken te bouwen. Omdat deze nieuwe kerken nog steeds niet van buiten als kerk herkenbaar mochten zijn, worden ze ook schuilkerken genoemd, hoewel hun locatie inmiddels niet meer geheim was en de missen er in openheid werden gehouden.
Toen in 1723 de Nederlandse katholieke kerk door een conflict werd verdeeld, ontstond de Oudkatholieke kerk, waarnaar in het westen van het land veel schuilkerken overgingen. Nadat na de komst van de Fransen aan het einde van de 18e eeuw de godsdienstvrijheid was ingevoerd, mochten de katholieken weer echte kerken bouwen. Toch zijn vooral in het westen van het land veel schuilkerken nog lang in gebruik gebleven. Uiteindelijk zijn de meeste schuilkerken gesloopt of onherkenbaar verbouwd.

Kerken in Leiden.

In de stad Leiden stonden in vroegere tijden heel wat kerken, hele grote zoals de Pieterskerk en de Hooglandse kerk tot nederige schuilkerkjes. Vóór de Reformatie waren er de drie grote parochiekerken (Sint Pieter, Sint Pancras en de Onze Lieve Vrouwenkerk), de kapel van het Sint Anna Aalmoeshuis of Sint Annahofje in Leiden. na de Reformatie de "Drie Hooftkerken" genoemd en als zodanig onder één kerkvoogdij gebracht, die later nog meer kerken (Nederduits, Waals, Hoogduits en Engels gereformeerde) zou gaan beheren. Daarnaast was er een zwerm kapelletjes, zowel aparte (zoals de Viskapel) als behorend tot een gasthuis, een klooster of een hofje. Hoewel er in een aantal kapellen begraven mocht worden, was het dopen en trouwen voorbehouden aan de parochiekerken.

De grenzen van de stad lagen in de zeventiende en achttiende eeuw vrij goed vast. Rond de stad stonden onder de ambachten (gemeenten) Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude echter nog heel wat optrekjes waar kinderen geboren werden of trouwlustigen woonden. Bij de Hervormden was men vrij streng in de handhaving van de gemeentegrenzen: in alle drie de omringende gemeenten waren hervormde kerken, waar men dan onder ressorteerde. Bij de Katholieken gold dat ook wel een beetje, maar daar bestonden geen formeel omschreven grenzen. In die tijd sprak men dan ook niet van parochies, maar van staties. Iemand die onder Oegstgeest woonde, zal snel geneigd geweest zijn om zijn kind te laten dopen in de R.K. schuilkerk op de splitsing Geversstraat-Rhijngeesterstraatweg-Rijnzichtweg, de Sint Willibrordus.

Wanneer er geen geestelijke aanwezig was of men misschien toch al van plan was naar de stad te gaan, werd het kind gedoopt in een van de schuilkerken te Leiden. Andere katholieke kerken in de omgeving stonden aan de Hoge Rijndijk onder Hazerswoude (de Michael- of Zwaantjekerk), in de Zuid¬buurt onder Zoeterwoude (Sint Jans Onthoofding) en onder Voorschoten (de Sint Laurentius). Al met al lijkt het bij de katholieken wel mee te vallen wat het dopen van niet-Leidenaren in Leidse kerken betreft.

Dat geldt niet voor een aantal andere religies. In de wijde omgeving van Leiden was er nergens een Lutherse of doopsgezinde kerk te vinden, laat staan een synagoge. Dit betekent dat inwoners van dorpen op een vrij grote afstand van Leiden (mits zij maar streng genoeg in de leer waren) te Leiden ter kerke gingen en daar trouwden en hun kinderen lieten dopen. Overigens waren die kerkelijke huwelijken voor de burgerlijke overheid niet rechtsgeldig, zodat zij op hun eigen dorp ook voor schepenen trouwden. Van enkele religies waren op bepaalde dorpen ook kerkjes; gedacht kan worden aan de Remonstranten in Warmond en Hazerswoude en de Oudkatholieken te Roelofarendsveen.

Rooms-Katholieke kerken of staties

Appelmarkt.
Vóór de Reformatie werden de drie Leidse parochiekerken bediend door seculieren (wereldheren), dus geestelijken die niet tot een kloosterorde behoorden. Hoewel de pastoor van de Sint Pietersparochie een functie bekleedde in de Duitse Orde, kan men hem geen ordesgeestelijke (regulier, pater) noemen. Na de Reformatie bleef die pastoor zijn werk doen, al werd het hem niet erg gemakkelijk gemaakt. Zijn opvolgers waren steeds seculieren, die zich nu eens hier en dan weer daar schuilhielden. Dankzij de steun van enkele rijke en redelijk machtige geloofsgenoten kon er al vóór 1641 een redelijk schuilkerkje gemaakt worden aan de Appelmarkt, dat is het gedeelte Nieuwe Rijn tussen de Hooigracht en de Middelstegracht. Toen na 1670 de vervolgingen wat luwden kon er in het jaar 1675 een vrij grote vertimmering van het kerkje plaatsvinden. Het was toegewijd aan de Heilige Willibrordus. Dit bleef hier tot in het jaar 1897 door de ramp met het kruitschip het gebouw vrij zwaar beschadigd raakte. Door de pastoor kon de ruïne van de vroegere Saaihal verworven worden en deze werd geheel gerestaureerd en ingericht als kerk. Naar de man die dit mogelijk maakte (koning Lodewijk Napoleon) werd hij toegewijd aan de Heilige Lodewijk. Deze Lodewijkskerk werd op 17 oktober 1809 ingewijd. Hoewel het doopboek van de Appelmarktkerk gewoon doorgaat, is het vanaf die datum dus het doopboek van de Lodewijkskerk. Van 1857-1957 was dit een hulpkerk van de Sint Petrusparochie, zodat er in principe geen dopen en huwelijken plaatsvonden.

gezicht op de Nieuwe Rijn, de plek van de voormalige Apppelmarkt.

De nieuwe Rijn gezien vanaf de Hooigracht naar de Middelstegracht, de plaats waar vroeger de Appelmarktstatie gevestigd was.


Bakkersteeg.
Het oudste R.K. doopboek van Leiden is van de statie die een onderkomen vond in een pand aan de Bakkersteeg, thans Pelikaanstraat geheten. Zeker nadat het complex enige keren uitgebreid was, besloeg het een terrein dat aan de voorkant uitkwam aan de Haarlemmerstraat en aan de achterkant in de Pelikaanstraat. Dat doopboek begint al in het jaar 1642, maar het is niet duidelijk of de statie toen al daar gevestigd was.
De eerste pater Dominicaan kwam pas rond het jaar 1650 naar Leiden; sedertdien bleef deze kerk in handen van de Dominicanen (ook wel predikheren genoemd), die de statie de patroonheilige Sint Dominicus gaven. In februari 1846 werd begonnen met nieuwbouw ter plaatse; deze werd op 9 november van dat jaar ingezegend. Door de opheffing van de staties en de invoering van nieuwe parochies was voor deze kerk geen plaats meer. Op 2 februari 1857 werd er de laatste mis opgedragen; daarna werd het een R.K. Armenschool. De statie werd grotendeels gevoegd bij de Hartebrugparochie; in het archief van die parochie bevindt zich dan ook een kopie van de doopboeken van deze kerk van vóór 1811.


De Hartebrugkerk op de hoek van de Haarlemmerstraat en de Mare Kuipersteeg.
De eerste paters Franciscanen vestigden zich rond het jaar 1640 in een pand aan het Steenschuur (thans Rapenburg, waar nu het hofje van Cornelis Sprongh staat) en in een pand aan de Haarlemmerstraat. De pater van de Steenschuurkerk, Joachim Schaap, legde in het jaar 1660 het oudst bewaarde doopboek aan. Zijn kerk fuseerde rond 1664 met de andere, zodat sedertdien gedurende enkele tientallen jaren er twee gelijkwaardige paters in één statie dienden; pas later werd de een pastoor en de ander kapelaan. Tot het jaar 1712 hield de statie er twee doop- en trouwboeken op na.

Het schuilkerkje aan de Haarlemmerstraat werd rond het jaar 1663 verruild voor een in de Kuipersteeg; het stond op de plek waar later de winkel van Kreymborg gevestigd was. De Franciscanen waren zeer geliefd en van alle dopen vond het grootste aantal reeds in deze statie plaats.

Omdat het kerkje veel te klein geworden was, werd een pand gekocht op de hoek van de Haarlemmerstraat en de Lange Mare, een voormalige bierbrouwerij, bij de Hartebrug. De eerste steen van de aan Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen gewijde kerk werd op 21 april 1836 gelegd; de inwijding vond plaats op 28 november 1837 door Mgr. Cornelius Ludovicus, baron van Wijckerslooth, bisschop van Curium.
Van deze vaak Hartebrugkerk genoemde parochie werden in de twintigste eeuw de parochies van de Heilige Leonardus a Portu Mauritio aan de Haagweg en van de Heilige Antonius van Padua aan de Boshuizerlaan afgesplitst; deze werden dan ook zeer lang door paters franciscanen bediend.

Het uiterlijk van de kerk is typerend voor wat een “Waterstaatskerk” heet. Dat zijn kerken die in de eerste helft van de 19e eeuw zijn gebouwd en waarbij het Ministerie van Eredienst zowel ambtelijk als financieel betrokken was. Dit ministerie viel onder het ministerie van Binnenlandse Zaken en Waterstaat. Dit wees de ingenieurs aan die de bouwplannen maakten. De architect van de Hartebrugkerk is Th. Molkenboer.


Sint Jorissteeg.
De voormalige Petruskerk op de Langeburg Door Sasbout Vermeer (1548-1614) die als apostolisch vicaris van de bisschop van Utrecht, over vele bevoegdheden beschikte, werden reeds in 1606 twee staties van wereldlijke (seculier) geestelijken opgericht, waarvan er een vóór 1641 gevestigd was aan de Appelmarkt, de andere nog onbekende vestiging resulteerde in de statie in de Sint Jorissteeg, definitief gevestigd in 1667.

Naast de Appelmarktstatie was er een tweede door seculieren bediende statie, die van de Heilige Bonifatius, die per 1 mei 1667 zijn definitieve plaats vond in een huis aan de Hogewoerd met een ingang (onder meer) in de Sint Jorissteeg.
Het huis heette "De Kachel", zodat de statie een enkele keer ook zo aangeduid werd.
Voordien zat de statie in een huis aan het Utrechtse Veer, het doopboek begint dan ook al in het jaar 1670. Van 1706 tot 1712 was de kerk op bevel van het stadsbestuur gesloten. In het jaar 1819 werd getracht de toen door de Waalse gemeente verlaten Vrouwenkerk te verkrijgen, maar dat lukte niet.

Daarom werd uiteindelijk een geheel nieuwe kerk gebouwd aan de Langebrug, waarvan de eerste steenlegging plaatsvond op 2 maart 1835 en die op 28 juli 1836 ingewijd werd. De patroonheilige werd toen Sint Petrus.

Deze Sint Petruskerk brandde op 25 juli 1933 geheel af, waarna er een nieuwe Sint Petruskerk aan de Lammenschansweg verrees. Op de ruïne werd een brandweerkazerne gevestigd.
Een kazerne die, onder de druk van slechte bereikbaarheid inmiddels ook weer is verhuist.



De Mon Père Kerk in 1916, foto van Wilhelmus Johannes Raaphorst. De Zon.
In het jaar 1654 vestigde zich de in Leiden als zoon van de vrij strenge Calvinist Petrus Bertius geboren Abraham Bertius in een pand aan de Haarlemmerstraat. Hij had zich (evenals zijn broer) bekeerd tot het katholicisme en was ingetreden bij de Franse ongeschoeide karmelieten van Charenton te Parijs. Met de ijver van de bekeerling grondvestte hij een statie, die als patrones kreeg Onze Lieve Vrouw ten Hemelopneming (meestal gewoon O.L.V. Hemelvaart of Maria Hemelvaart genoemd)
Zijn opvolgers kwamen meestal rechtstreeks uit het Parijse klooster en verstonden geen woord Nederlands; door hun kerkgangers, die voor het overgrote deel afkomstig waren uit de streek rond Luik en dus ook Frans spraken, werden ze aangesproken als "Mon père". Daarna werd de kerk de "Mon Père" genoemd, soms verbasterd tot "Franse peer".
De kerk was ondergebracht in een pand aan de Haarlemmerstraat, dat de naam "De Zon" droeg, hetgeen door de paters wel eens in "Le soleil d'or" vertaald werd; ook deze benamingen voor de kerk komen dus voor.

Bij Koninklijk besluit van 27 mei 1808 werd pater Hubert Nicou benoemd tot hofprediker van koning Lodewijk Napoleon in diens paleis "Het Loo". In Franrijk waren alle kloosters opgeheven (geweest), zodat er blijkbaar niet zo snel een vervanger aangesteld kon worden. De Benedictijner pater Carolus Bertinus de Ram werd de opvolger; na hem kwamen er seculiere priesters. Omdat de kerk te klein werd en de andere staties nieuwe prestigieuze kerken lieten bouwen, ontwierp architect Molkenboer ook voor deze statie een nieuwe kerk. De eerste steen werd gelegd op 19 juni 1838; de inwijding volgde op 19 november 1839.
In de tussentijd kerkte men in de zojuist door de Hartebrug-parochianen verlaten kerk in de Kuipersteeg. In 1924 werd de vierde parochiekerk van Leiden aan de Herensingel gebouwd, die als patroon kreeg de reeds bekende Sint Joseph.
De "Mon Père" ging samen met deze nieuwe parochie toen in de binnenstad het aantal parochianen afnam, waarna de kerk op de Haarlemmerstraat op 8 juli 1934 gesloten werd; een paar jaar later vond een verbouwing tot overdekt zwembad plaats.
Inmiddels is ook dit zwembad, "De Overdekte" genaamd, uit het stadsbeeld verdwenen. Na sloop van het complex is het geheel vervangen door woningbouw. De plek waar vele Leidenaren de eerste beginselen van de zwemkunst werd bijgebracht zal zodoende langzaam maar zeker uit het collectieve geheugen verdwijnen.


wordt vervolgd.