Terug naar kaart

Het verhaal van Cecila Hermanna Schouten

Op 30 juni 1926 traden te Leiden Adrianus Schouten en Cornelia Wilhelmina Zaal in het huwelijk. Op de huwelijksakte werd vermeld, dat zij erkenden "het kind Cecilia Hermanna(Mies) Zaal geboren te Leiden, negen en twintig November negentien honderd drie en twintig".
Dat erkennig niet perse inhoudt, dat in dit geval, Adrianus ook daadwerkelijk de biologische vader is, zal voor een ieder duidelijk zijn. Maar binnen een genealogie wordt dat toch iets lastiger, al is het momenteel wel gebruikelijk dat de lijn wordt voortgezet via de wettelijke kinderen en niet beperkt wordt door een eventueel biologisch ouderschap. Het is een gegeven dat op de een of andere manier toch blijft wringen. Zo ook bij Mies, het interview dat zij op 19 februari 2015 gaf aan "De stem van Leiden", zou zo maar uit een programma als "Spoorloos" of "DNA onbekend" kunnen komen.

Een verborgen verleden.

Interview met mevrouw C.H. Klinkhamer-Schouten op 19 februari 2015, afgenomen door Hetty Clavan en Tineke Schutte.

Mevrouw Klinkhamer werd in 1923 aan de Doelengracht tegenover de kazerne geboren in het huis van haar oma. Ze werd gehaald door haar opoe, die baker was. Haar moeder was 16 jaar en ze hebben daarom nog vijf jaar bij opoe ingewoond. Ze heeft tot op de dag van vandaag geen idee wie haar vader was. Het enige wat haar moeder daarover losliet was dat het een student was. “Ik heb best een goed stel hersens, dat heb ik vast aan die student te danken”, zegt mevrouw Klinkhamer. Toen moeder 19 jaar was, werd er een zusje geboren. Twee jaar daarna verlieten ze het huis van oma en gingen aan de Korevaarstraat wonen, daarna naar de Oude Singel, samen met de nieuwe man van moeder, de heer Schouten, waar mevrouw ook haar meisjesnaam aan heeft ontleend. “Ik werd altijd achtergesteld bij mijn zusje, want dat was een ‘echte’ Schouten”. Ook de familie van vaders kant had geen belangstelling voor haar.

Stadhuisbrand en vuurwerkongeluk.
Mevrouw heeft nog levendige herinneringen aan de Stadhuisbrand in februari 1929. Ze was op dat moment zes jaar. “Ik zat op het Pieterskerkhof op een ‘pisschooltje’, want mijn moeder moest werken bij de slagerij en op weg van de Korevaarstraat daar naar toe kwamen we er langs. Het was heel koud. Mijn zusje zat nog in de wagen. Bij het Stadhuis had je allemaal van die dikke ijspegels hangen en dat vond ik mooi. Het was net een sprookje, zo mooi.” Later werd mevrouw Klinkhamer weer met de gevolgen van vuur geconfronteerd. Haar stiefvader overleed in augustus 1930 aan de gevolgen van een explosie in de vuurwerkfabriek van Kat, officieel de N.V. Koninklijke Nederlandse Kunstvuurwerk- en Munitiefabriek A.J. Kat aan de Stadspolderweg. Al snel daarna verhuisde het gezin, waar een derde meisje was geboren, naar de Tollensstaat.

“Zie je wel, er houdt toch iemand van me”.
Ook de komst van een nieuwe stiefvader liet niet lang op zich wachten. De heer Lips was bakkersknecht en katholiek en dus moest het hele gezin katholiek worden. “Toen werd ik gedoopt en ik vond het prachtig. Want niemand hield van mij, mijn moeder ook niet. Als ik tegen mijn moeder aan ging staan zei ze: “Hey, ga op je eigen benen staan, kom op!” En toen werd me verteld: “Jezus hield van iedereen.” En dat vond ik zo mooi, zie je dat er toch iemand is die van mij houdt!” Haar moeder was in die tijd altijd op stap, met haar vriendin naar de bioscoop onder andere. Zij speelde dan op straat met de andere kinderen. Er kwamen daar nog een heleboel verkopers aan de deur. De olieboer, de schillenboer en ook een garnalenverkoper met een houten juk.
Daar kocht mijn moeder dan de garnalen en die moest je zelf pellen. Een klap op de tafel en dan kreeg je een hand met garnalen en dan gingen we allemaal zo lekker zitten pellen. Ja, dat was lekker.

Verhuizing op verhuizing.
Daarna volgde een periode waarin het gezin doorlopend verhuisde. Van de Tollensstraat naar de Maredijk, daarna naar de Da Costastraat, het Noordeinde volgde, waar moeder een groentewinkel overnam. Maar dat liep niet vanwege de combinatie met het gezin. Een oom kocht de zaak over en het gezin verhuisde naar achtereenvolgens de Haarlemmerstraat, weer het Noordeinde, opnieuw de Maredijk en daarna de Da Costastraat. Op 12-jarige leeftijd had mevrouw Klinkhamer al op elf adressen in Leiden gewoond. In de Da Costastraat bleven ze wonen en hadden kostgangers in huis. “Dat was een kunstschilder, Piket heette hij. Mijn zus Gon, die was een lievelingetje van hem. Ze zat altijd bij hem op schoot, maar ik mocht nooit. Hij dronk altijd wijn. Maar als hij er niet was, dan had mijn zus Gon dat in de gaten. En dan zei ze: ‘Gauw, gauw’ en dan dronken we een slok uit die fles en dan werd hij weer achter die stoel gezet. Van die ondeugende dingen, ja, dat vond je leuk natuurlijk. En dan hadden we ook een boer en die kreeg altijd stukjes afsnijsel bij Verboon, worst en zo en daar kregen wij ook wat van. Nou, dat vonden wij lekker hoor”.

Bijdragen aan de huishouding en de huishoudschooltijd.
Met elf jaar begon mevrouw Klinkhamer als dienstbode bij de koster van de kerk en bij een schoenenwinkel. Ze moest al haar verdiensten afdragen aan haar moeder. In hetzelfde jaar ging ze naar de vakschool aan het Galgewater, want doorleren mocht ze niet van haar moeder, terwijl de juf van de zesde klas thuis kwam om daar toestemming voor te vragen. Maar moeder sloeg keihard op de tafel: “Doorleren???? Werken!!!!!.” Op de vakschool moest ze het huishouden leren. Maar ze haalde ook veel dingen uit met de andere meisjes. “Dat was ook leuk met die meiden onder mekaar. Ik weet nog goed, we waren ook wel ondeugend hoor. Want dan gingen we zogenaamd naar de wc, maar dan gingen we naar beneden naar de garderobe. Dan gingen we in al die zakken voelen. Daar haalde je een kwartje uit, daar haalde je een dubbeltje uit en daar gingen we van vreten natuurlijk, hahahahaha. Ja, ik heb lopen stelen als de raven. Met m’n vriendinnetje en ik vond het prachtig.”
Op haar dertiende ging mevrouw Klinkhamer na anderhalf jaar van school en werd bij een domineesvrouw als dienstbode geplaatst. “ ‘s middags gingen ze eten en ik kreeg niks. Dan moest ik wachten tot ze gegeten hadden. Dat was een domineesvrouw, kan je nagaan. Dan moest ik wachten tot ze gegeten hadden, dan kon ik afwassen en dan mocht ik naar huis. Ze hadden een appelboom en toen heb ik een keer een appel geplukt. Nou, mijn moeder moest komen, dat ik appels had gejat. Het waren gemene rotmensen, het waren zogenaamd gelovige mensen.” Daar verdiende ze rond de vijf gulden per week. Dat moest ze inleveren thuis en kreeg een kwartje zakgeld. Maar haar moeder wilde vaak aan het eind van de week ook dat kwartje nog hebben.

Na de oorlog.
Op dansles bij dansschool Alphenaar kwam mevrouw haar man tegen. Die werkte eerst in de keuken van de studentensociëteit Minerva en daarna als huismeester op het Piet Palenpad [= Piet Paaltjenspad], waar studentenwoningen werden gebouwd. Mevrouw runde daar het studentenwinkeltje en verdiende op die manier een centje bij. Deze functie werd opgeheven en meneer kon een vervangende baan krijgen in Rotterdam. Daar zijn ze toen met vier kinderen naar toe verhuisd. Maar mevrouw bleef Leiden missen en is in 2003 terug verhuisd na het overlijden van haar man.


Bronnen
De foto van een Noordwijkse vissersvrouw komt uit het interview.
Foto: de Doelengracht in 1927, maker Willem Johannes Kret, Erfgoed leiden en Omstreken, Beeldbank, GN000686.
Het interview is eerder gepubliceerd op de website van de Historische Vereniging Oud Leiden en is nu te vinden via Erfgoed leiden en Omstreken, uw verhalen.