De Arkegracht

De Arkegracht heeft haar naam vermoedelijk te danken aan een watermolen genaamd De Ark welke zich aan het eind ervan bevond. In het Leids Jaarboekje van 1958 (blz. 66e.v.) is daar door de heer S.J. Fockema Andreae een leerzaam artikel over geschreven:

DE ARK

BIJDRAGE TOT LEIDENS EN RIJNLANDS MOLENGEOGRAFIE

Ter plaatse van de tegenwoordige panden Rapenburg 114 en 116 toont u het straten- en grachtenboek der 16e eeuw “De Ark". En wandelt ge langs de zuidzijde der gracht, danziet ge in de wallekant onder nr. 114 nog de gewelfboog van het overkluisde Arkgrachtje, het watertje dat via "Salomons Tempel" oudtijds verbinding met dePieterskerkgracht gehad moet hebben, zoals de Faliede-Bagijnegracht (welker boog men iets verderop ziet, tegenover de Vliet) samenhing met de Papengracht.
Wat was die Ark? Van 1553 tot 1604 de stadstimmerwerf. Een oud(er) en wonderlijk samengesteld gebouw, "seer drollich van aensien" volgens hen die het gekend hebben. Watmag het vroeger geweest zijn? Een annex van de commanderij der Duitse Orde, te voren dus een bestanddeel van het grafelijke complex Gravensteen/Lokhorst, waarvan immerszowel het Pieterskerkterrein als het pastorie-erf (later de commanderij) ten zuiden daarvan moeten zijn afgescheiden. Er is enige reden graaf Willem I van Holland met dit Gravenhof-complex in verband te brengen.
Een ark is een kist of zo iets (lat. area), maar ook, in speciale betekenis, de (houten) watertoevoerleiding van een door water bewogen molen. De plaats van deze Ark,een wonderlijk oud gebouw, over het water gebouwd, ondersteunt de gedachte, dat de Ark oorspronkelijk een watermolen kan zijn geweest. Dit veronderstelt dus, dat er, intermitterend althans, een genoegzaam peilverschil was en een afleiding benedenstrooms, waarvoor alweer een benaming: Levendeel, de oude en nog de populaire vorm van denaam Levendaal, steun geeft: 'deel' gangbare Friese benaming voor een gegraven water, 'levend', d.w.z. stromend water.

Dit zou dus een watermolen van het grafelijke stadsdeel zijn geweest. De watermolen der burggrafelijke stad, op de Mare ter plaatse van de Hartebrugkerk, is ookgedocumenteerd, zij het dat de beschikbare gegevens, van het midden der 14de eeuw, nog slechts van een voormalige molen kunnen spreken. Nadat immers de windmolens ingebruik waren gekomen, dat wil zeggen sedert de 12e eeuw, hadden watermolens van gering of van niet-permanent vermogen concurrentie te verduren; en nadat de boezem vanRijnland door de afdamming van het Spaarne sedert 1220 tot de tegenwoordige eenheid was gemaakt, was de bestaansmogelijkheid van watermolens binnen dit gebiedaangetast.
Zouden er voordien meer watermolens hier aan de duinkant geweest kunnen zijn? De situatie in de oude kern van Haarlem, waar de zo kennelijk door mensenhand geleide'Beek' het duinwater van Vogelenzang af, door het 'zilekijn' in de Zijlweg opgestuwd, naar het Spaarne afvoerde, wekt gedachten in dezelfde richting.
Een watermolentje eist een verval van minstens ongeveer een meter. Toen het Spaarne, de grote meren, de Leidse Rijn nog open waren, niet van de zee afgesloten, moet ervooreerst, althans te Haarlem, getijverschil zijn geweest. En voorts moeten de binnenduinterreinen een vrij wat hogere waterstand hebben gekend, waarvan de meertjes,zelfs op de kaart van Floris Balthasars, uit 1610-1615, nog getuigenis afleggen.


Dat inderdaad de hele Zuid-Hollandse duinkant van Rijnland een stuwgebied kan hebben gevormd, door één afsluiting in de Rijn in of bij Leiden te beheersen, laat zichnog wat nader betogen. Aan de zuidkant van de Rijn sluit de Ommedijk van Leidschendam af tot de Rijndijk (bij de herberg Ik Leer Nog) met de Rijndijk zelf het gebiedgeheel in; nog in de 15e eeuw werd deze afsluiting gehandhaafd. Ten noorden van de Rijn, waar vooreerst het Marendijkje, te Leiden aan de Haarlemmerstraat (bij deVrouwenkerk tegenover de Vrouwensteeg) beginnende, de aansluiting op de geest van Poelgeest-Warmond verzekerde, toont Floris Balthasars' kaart ons in het begin der17e eeuw vier boezemwateren de geest doorsnijdende, maar zij zijn alle vier, bewijsbaar, van latere oorsprong, niet ouder dan ca. 1300; en zelfs nog in de 15e eeuwhandhaafde men schotdeuren in die wateren, niet slechts ter waterkering, maar bepaald ook ter handhaving van een hoger peil aan de duinkant, zoals de meerdereschotdeuren in de Dinsdagse watering bewijzen. Een groot gebied inderdaad kon op deze wijze zijn ingesloten: het aanzienlijke waterreservoir van de westelijke Rijnzelf met zijn vele zijtakken, en dan het machtige duingebied, de zee- en binnenduinen met de valleien ertussen, van Leidschendam tot Kennemerbeek, wel 30 km lang en10 km diep. Het lijkt een aannemelijke onderstelling, dat althans gedurende sommige tijden van het jaar dit reservoir voldoende maalwater voor een of twee molentjes in Leiden konopleveren.

Nu de Rijnafsluiting. Hier wordt een complicatie gevormd door het bestaan van een Ommedijk in Leiderdorp, bij name in de Munnikenpolder nog bekend. Sloot deze dijk aanbij een hypothetische Wendeldijk in noordelijke en noordwestelijke richting?
Dit is niet goed te verenigen met het bestaan van de burggrafelijke molen aan de Mare te Leiden, welke immers een open water ten noorden daarvan nodig had. Ook in dezemoeilijkheid komt de naamkunde ons te hulp; de waternaam Zij1 moet toch beslist op een sluisnaam teruggaan en die sluis is niet goed elders te plaatsen dan aan de oudeZijlbrug, de Spanjaardsbrug in de Lage Rijndijk; de Leiderdorpse Ommedijk zou niet anders dan het kleigebied achter het dorp van die naam hebben omsloten. Desluisafsluiting van de Zij1 wederom veronderstelt de stuwafsluiting in de Rijn ten oosten daarvan; en hiervoor is geen andere plek zózeer aangewezen als die deropmerkelijke Rijnvernauwing te Leiderdorp, op de plaats waar thans de Leiderdorpse brug ligt en waar deze voorheen reeds lag. De geheimen van oud-Leiderdorp zijn nogniet geheel doorvorst, maar dat er in zeer oude tijd "iets bijzonders" geweest moet zijn, is de zwakst mogelijke kenschetsing. Met deze Leiderdorpse Rijnstuw is weerzeer goed in overeenstemming de bijzonderheid van de Does, waarvan het rechte stuk Leiderdorp-Hoogmade door alle Rijnambachten (gemaakt en) onderhouden dè Rijnlandseafwatering geweest moet zijn voor men (ca. 1202) de Heimanswetering had gegraven en voordat de Zij1 (immers door zijn sluis afgesloten) als zodanig beschikbaar was. Enhet is dan verder wel aannemelijk, dat die stuw in de Rijn te Leiderdorp nog na zijn opheffing als zodanig voortleefde als een vis-stuw, een "weer" in de Rijn; en dathier was die waardevolle visserij van de Wendeldijk, die Rijnland in 1310 van de burggraaf moest afkopen. We weten immers, dat de burggraaf het visrecht van de geheleRijn met andere regalia over het water had, terwijl het merengebied een aaneengesloten grafelijk visgebied vormde, waar tussenin een burggrafelijk visrecht niet goeddenkbaar is.


De Rijnafsluiting is ook mogelijk in Leiden zelf, ter plaatse van de Visbrug en de Sint Jansbrug bij de burcht aansluitende. De argumenten "Zijl" en "Does" pleitensterk vóór een "Wendeldijk' te Leiderdorp; was de Rijndam steeds te Leiden, dan had de "Zijl" van de Zij1 géén, en het graven van de Does weinig zin. Maar wellicht magen moet men twee stadia aannemen: eerst, toen ons Leiden nog in ongestoorde landelijke rust verkeerde, een Rijndam te Leithen-Leiderdorp met een maalwerktuig te zelfderplaatse (van hout en op palen wellicht); voorts, met en na de stichting van de burcht in Leiden, verplaatsing van de Rijnstuw en de molen(s) daarheen. Er hebben zichhier immers, voor ca. 1208, allerlei machtsstrijden tussen bisschop en burggraaf en graaf C.S. afgespeeld, strijden waarin niet slechts het schaakspel derburgstichtingen gold, doch ook het elkaar afsnoepen van maalwater tot de machtsmiddelen kan hebben behoord. Energiebronnen vormen conflictstof bij uitstek, nietslechts in het atoomtijdperk. De stuwdam-met-watermolen is een zeer veel voorkomend annex van kasteelstichting in de vroegere en ook nog wel latere middeleeuwen.
Engeland biedt talrijke voorbeelden: Willem de Veroveraar's burcht te York b.v., die door hogere opstuwing van de Foss de molens van anderen lamlegde, terwijl demolengeografie van zijn tijd in Domesday Book op indrukwekkende wijze is weergegeven. Ook uit ons land ontbreekt het niet aan voorbeelden. En, zoals de machtigemolendam in de Weser te Hameln de naam dezer stad tot Quernhameln vervormde, zo is de exploitatie van waterkracht in de Betuwe, door opstuwing in een komgebied, aan deKorne te Buren aannemelijk. Een voorbeeld te meer, hoe de nasporing van al hetgeen op watermolens wijst ons iets kan leren over de oude gesteldheid des lands, voordat,in de dertiende eeuw, de windmolen het terrein begon te veroveren. Uit die oude tijd is de documentatie zo schaars, dat we met iedere aanduiding blij moeten zijn;dankbaar aanvaarden we dan ook de naamkundige gegevens hiervoor!

Een eerste regionale waterbeheersing in Rijnland dus, voornamelijk ter wille van de waterkrachtexploitatie: het is een voorstelling waaraan men even moet wennen, maardie zich toch met hetgeen overigens bekend is wel laat verenigen - of, sterker, die sommige tot dusver onverklaarde verschijnselen (de Zijl, de Wendeldijk) aannemelijkmaakt en dus een hogere mate van waarschijnlijkheid mag hebben dan die ener veronderstelling. Maar, is nu de situatie van de Mare-molen zonder meer duidelijk, die vande (aangenomen) Ark-molen vereist nog enige verklaring. Ze veronderstelt: een verbinding Rijn - Pieterskerkgracht - Arkgracht - Steenschuur - (Levendeel), maar tevens:géén doorloop Rapenburg - Galgewater - Steenschuur, géén doorloop Langebrug/Voldersgracht, en, indien onze Levendeel-veronderstelling juist is, géén waterloopSteenschuur - Rijn. Maar de Levendeel-onderstelling heeft nog een kleine ondersteuning buiten de naam alleen. Het Levendeel strekte zich, blijkens Jacob van Deventersstadsplan, uit naar de oude Hogewoerdspoort bij de Kraaierstraat; juist hier vond men nog in de 17e eeuw rosmolens, en het lijkt ons denkbaar dat deze rosmolensopvolgers zijn van een watermolen of van watermolens, hier gesticht ter vervanging van de molen van de Ark in een iets verder stadium van stedelijke groei (dat de wijktussen Nieuwe Rijn en Levendaal ouder moet zijn dan de stadsuitbreiding van 1389 is door anderen al gezegd).

De in 1670 gedempte Arkegracht: "Afteijkening van de Arksgraft sulks deselve nu gedamt sijnde etc.".

Erfgoed Leiden en Omstreken, beeldbank, kaart van J. Wierman uit 1671, naar de kaart van J.P. Dou uit 1671.

De naam van de Ark werd, na eeuwen, natuurlijk niet meer begrepen. De reeds genoemde Ernst Brinck noemt het huis 'die Arcke Noës', "ende men seyt het nae die maniergetimmert sal sijn"! De situatie is, na de verkoop van 1604, ook tot onkenbaar wordens toe veranderd. Het Arkgrachtje is in 1670 overkluisd, met tal van anderewatertjes, als gevolg der paniekstemming na de malaria-epidemie van 1669. Niets is er meer wat aan de oude toestand herinnert dan alléén een bijna vergeten naam, èn degewelfboog in de kademuur. Mogen we beleefdelijk in overweging geven, dat de naam van het Arkgrachtje weer boven die gewelfboog in de walmuur wordt aangebracht?


Naschrift:
Sijbrandus Johannes Fockema Andreae, werkzaam als archivaris bij het Hoogheemraadschap van Rijnland, heeft een oeuvre van meer dan 600 titels nagelaten. Hij heeftzich met uiteenlopende wetenschapsgebieden beziggehouden, maar kan niet worden getypeerd als een kamergeleerde. Hij heeft veel gepubliceerd over rechtsgeschiedenis enwas daarnaast actief op het terrein van het waterschapsrecht, de waterstaatsgeschiedenis, de historische geografie, de historische cartografie en de naamkunde. Hij wasbreed belezen en hij beschikte ook over een uitzonderlijk goed geheugen. Dat stelde hem in staat buiten de bovengenoemde wetenschapsgebieden te treden zoals hetkerkrecht, de molengeografie en de metrologie.

Zijn favoriete onderwerp was de waterstaatkundige geschiedenis van Nederland. Dat bleek al uit zijn proefschrift over het Hoogheemraadschap van Rijnland, maar ook uitde "Studiën over waterstaatsgeschiedenis".

Als rechtshistoricus publiceerde hij in 1961 "De Nederlandse staat onder de republiek", een grondige analyse van de overheidsadministratie van de Republiek der ZevenVerenigde Nederlanden. Voor dit vele malen herdrukte werk ontving hij in 1965 de zilveren Thorbeckeprijs.
Historisch-geografisch belangrijke publicaties leverde Fockema Andreae onder andere in zijn bijdrage "Stad en dorp" in het mede door hem geredigeerde tweedeligestandaardwerk "Duizend jaar bouwen in Nederland".